maandag 17 november 2008

De Amsterdamse Gedichten


Als er één (groot)stad is waarvoor ik mijn stulpje op "den boerenbuiten" zou willen verlaten, dan is het wel Amsterdam. Lees even mee uit het schitterende werk van Guus Luijters:

(32)

In de Kinkerstraat kom ik
hem tegen hij blijft staan
en spreekt mij aan de man
die alles heeft verloren
zijn vrouw zijn huis zijn baan
woont nu op de Kostverlorenkade
o ironie van het bestaan

(13)

Kinkerstraatjes lopen samen
meestal door de Kinkerstraat

en hun geblondeerde haren
zijn als de manen van een paard

Kinkerstraatjes hebben witte
tanden en ze blijven altijd jong

want ze hebben niets om handen
Kinkerstraatjes zijn niet dom

en hun dochter is hun alles
met hun moeder zijn ze rijk

meestal in de straat van Kinker
en soms op de Haarlemmerdijk

(209) II

De kou trok uit de huizen
de lampen gingen op
de kranten van de ramen
werden weer gelezen

door de straten fietsten
mannen naar het oude werk
dat niet verdwenen was
maar altijd naar benzine rook

en plaats bood aan de helden-
daden waar wij van verhaalden
tot in de kleine uren te
land ter zee en in de lucht

de namen die wij noemden
knarsten weer als koffiebonen
en geurden naar de bloesem
van weleer wanneer mijn moeder

's morgens voor mij zong was zij
de nacht vergeten de treinen
die door mijn dromen bleven
rijden de misthoorns van

de schepen op het IJ
kanonnen in de verte
vlogen forten vroege trams
waterdruppels op het dak

mijn moeder zong en ik ik
was niet bang ik bond mijn schaatsen
onder en onverschrokken gleed
ik de wijde wereld tegemoet

Geen opmerkingen: