Simplicity
Men aarzelt te zeggen de stoel
staat in de kamer de tafel
staat naast de stoel op de tafel
ligt vaders pijp moeder zit
in de stoel naast de kachel
en de kinderen spelen
in de tuin met de hond
toch als men daarvan uitging
was het geen slecht begin.
C. Buddingh'
De blauwbilgorgel
Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban ! Raban ! Raban !
Ik ben een blauwbilgorgel
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst ! Rabijst ! Rabijst !
Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon ! Rabon ! Rabon !
Ik ben een blauwbilgorgel
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen ! Ga heen ! Ga heen !
C. Buddingh'
Natuurkunde
‘o, denkt men er zo over !’
zei een jongetje
dat de wet van newton gelezen had
en hij steeg als een leeuwerik
in de dampende najaarshemel
en geen sterveling op aarde
heeft hem ooit meer teruggezien.
C. Buddingh'
De Bozbezbozzel
De bozbezbozzel lijkt wat op
Een jenk, maar heeft een klein're kop
Zijn poten staan reeds twee aan twee
Als eenmaal bij het stekelree.
Hij hinnikt als een maliepaard,
En als het sneeuwt heeft hij een staart.
Wanneer die staart zijn kop zou zijn,
Was hij precies een spieringzwijn.
En als hij zeven staarten had,
Een kolossale kolbakrat.
Nu lijkt hij nog het meeste op
Een jenk, maar met een klein’re kop
C. Buddingh'
Zeeklacht
Het water van de zee is altijd zout,
Hoe men de suikerpot ook mag hanteren,
Geagiteerd over het strand marcheren,
Terwijl de wind de brandingkoppen krauwt;
Een borstbeeld hakken uit scheepstimmerhout,
Des nachts, in droom, met meerminnen verkeren,
Tarbot fileren of Neptuin vereren:
Het water van de zee is altijd zout.
Daar helpt geen moederlief, geen vaderstout,
Geen bokken, dokken, knokken of gekscheren,
Geen brein van boterkoek, geen hart van goud:
Of men voor dames voelt of meer voor heren,
Het water van de zee blijft altijd zout.
C. Buddingh'
Etmaal
Het licht is oud en moe,
En geeft haar scepter over aan de nacht.
Een kind slaapt voor het raam van zijn verlangen,
Zijn hoofd rust op de varens van zijn droom,
De deken van de duisternis omhult hem.
Maar alles draait. De nacht doet afstand van
Haar grijze troon bestikt met blauwe sterren.
De bakfiets van de zon rijdt door de stad.
Het kind wordt wakker waar het wonder uitblijft,
En alles is weer als het morgen zijn zal.
C. Buddingh'
Nu ik het toch over de dood heb: wat ik graag op mijn grafsteen gebeiteld zou zien:
Van Schagens woorden:
'Ge moet maar een beetje lachen. Het is niets.'
C. Buddingh', En in een mum is het avond, blz. 86, 22-10-1972

Geen opmerkingen:
Een reactie posten