maandag 1 december 2008

One Large please extra Buddingh'

Nog wat onstoffelijk voedsel voor de geest:

Simplicity

Men aarzelt te zeggen de stoel

staat in de kamer de tafel

staat naast de stoel op de tafel

ligt vaders pijp moeder zit

in de stoel naast de kachel

en de kinderen spelen

in de tuin met de hond

toch als men daarvan uitging

was het geen slecht begin.

C. Buddingh'


De blauwbilgorgel

Ik ben de blauwbilgorgel,

Mijn vader was een porgel,

Mijn moeder was een porulan,

Daar komen vreemde kind’ren van.

Raban ! Raban ! Raban !

Ik ben een blauwbilgorgel

Ik lust alleen maar korgel,

Behalve als de nachtuil krijst,

Dan eet ik riep en rimmelrijst.

Rabijst ! Rabijst ! Rabijst !

Ik ben een blauwbilgorgel,

Als ik niet wok of worgel,

Dan lig ik languit in de zon

En knoester met mijn knezidon.

Rabon ! Rabon ! Rabon !

Ik ben een blauwbilgorgel

Eens sterf ik aan de schorgel,

En schrompel als een kriks ineen

En word een blauwe kiezelsteen.

Ga heen ! Ga heen ! Ga heen !

C. Buddingh'


Natuurkunde

‘o, denkt men er zo over !’

zei een jongetje

dat de wet van newton gelezen had

en hij steeg als een leeuwerik

in de dampende najaarshemel

en geen sterveling op aarde

heeft hem ooit meer teruggezien.

C. Buddingh'


De Bozbezbozzel

De bozbezbozzel lijkt wat op

Een jenk, maar heeft een klein're kop

Zijn poten staan reeds twee aan twee

Als eenmaal bij het stekelree.

Hij hinnikt als een maliepaard,

En als het sneeuwt heeft hij een staart.

Wanneer die staart zijn kop zou zijn,

Was hij precies een spieringzwijn.

En als hij zeven staarten had,

Een kolossale kolbakrat.

Nu lijkt hij nog het meeste op

Een jenk, maar met een klein’re kop

C. Buddingh'


Zeeklacht

Het water van de zee is altijd zout,

Hoe men de suikerpot ook mag hanteren,

Geagiteerd over het strand marcheren,

Terwijl de wind de brandingkoppen krauwt;

Een borstbeeld hakken uit scheepstimmerhout,

Des nachts, in droom, met meerminnen verkeren,

Tarbot fileren of Neptuin vereren:

Het water van de zee is altijd zout.

Daar helpt geen moederlief, geen vaderstout,

Geen bokken, dokken, knokken of gekscheren,

Geen brein van boterkoek, geen hart van goud:

Of men voor dames voelt of meer voor heren,

Het water van de zee blijft altijd zout.

C. Buddingh'


Etmaal

Het licht is oud en moe,

En geeft haar scepter over aan de nacht.

Een kind slaapt voor het raam van zijn verlangen,

Zijn hoofd rust op de varens van zijn droom,

De deken van de duisternis omhult hem.

Maar alles draait. De nacht doet afstand van

Haar grijze troon bestikt met blauwe sterren.

De bakfiets van de zon rijdt door de stad.

Het kind wordt wakker waar het wonder uitblijft,

En alles is weer als het morgen zijn zal.

C. Buddingh'


Nu ik het toch over de dood heb: wat ik graag op mijn grafsteen gebeiteld zou zien:

Van Schagens woorden:

'Ge moet maar een beetje lachen. Het is niets.'

C. Buddingh', En in een mum is het avond, blz. 86, 22-10-1972


Geen opmerkingen: